| Home |


 | Weetjes
De Kazerns
de kazerns
In de Tieltsestraat beneden aan de nu ingekapselde Lampernisbeek rechtover de winkel van Hans en Eveline Vercruysse stond vroeger een driewoonst haaks op de straat (foto1). In 2008-2009 werden de huisjes gesloopt en bouwde men drie nieuwe woningen op ongeveer dezelfde grondvesten (foto2). Steeds minder mensen in Hulste weten dat die oude huisjes ‘de kazerns’ genoemd werden. Reeds in 1770 vinden we hier een driewoonst. Dit staat duidelijk op de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgenomen onder leiding van Graaf de Ferraris (1770-78).
In die drie huisjes toen eigendom van ‘het Bureel van Weldadigheid’ - het vroegere OCMW - startte het gemeentebestuur in 1852 een leerwerkhuis voor wevers. Het was een periode van zware crisis en de hoogste tijd dat er iets gedaan werd voor de werkende bevolking. Reeds vanaf 1843 waren heel wat Hulstenaren uitgeweken om werk te zoeken in de fabrieken van Noord-Frankrijk. Ze waren het beu om zich uit te sloven voor een hongerloon. Het was de toenmalige onderpastoor Arents de Beerteghem die, met al de kracht van zijn overtuiging, burgemeester Masureel en de raadsleden had overtuigd om niet bij de pakken te blijven zitten. In 1855, drie jaar na de oprichting van het leerwerkhuis was het succes van het ‘leerwerkhuis’ voldoende bewezen. Onder leiding van vakleraar Felix Vanhoutte leerden de jonge wevers op modernere en dus meer productieve weefgetouwen nieuwe weeftechnieken. Gezien het succes werden in 1856-57 de oude huizen volledig gerestaureerd tot één woonhuis (nr 14) en een werkhuis (16-18) met zeven handgetouwen.
De opleiding in het leerwerkhuis was een stap in de goede richting naar een volwaardig technisch onderwijs. Naast de vakopleiding was er ook plaats voor algemene vorming. Met dit laatste begon men zelfs de schooldag. ‘s nuchtens te zessen’ in de school van pastoor Van Opstal (nu KBC Vlietestraat). Om acht uur volgden de praktijklessen in ‘den atelier’. De jonge weverkens moesten er werkelijk iets voor over hebben wilden ze kundige en goed opgeleide wevers worden. Op het hoogtepunt van het leerwerkhuis waren er 47 leerlingen.
Na 30 jaar bloei kwam er verval, o.a. omdat men nagelaten had tijdig te moderniseren en te investeren. Ook vreesden de bazen voor concurrentievervalsing omdat ‘den atelier’ kon werken met goedkopere krachten.
Op 29 augustus 1888 besliste de gemeenteraad het leerwerkhuis te sluiten. Dit kwam voor velen hard aan, niet in het minst voor de praktijkleraar Felix Vanhoutte die hierdoor niet alleen zijn werk maar ook zijn woonst verloor. Felix verhuisde naar het onlangs gesloopte ‘Retouchke’ op de plaats. Zijn zoon Alfred (†1947) was er later jarenlang broodbakker. Nog later was diens schoonzoon Flavien Bruggeman er uurwerkmaker.
Wat gebeurde er nu verder met het huis en de gebouwen van het leerwerkhuis? Een tijdlang kreeg de muziekschool er onderdak en werd het ter beschikking gesteld als ‘aanhangsel van het Godshuis (oud-manhuis) om te dienen als ziekenzaal’ in toepassing van de wet van 27 november 1891. Het jaar daarop moest elke gemeente op bevel van de hogere overheid zorgen voor een behoorlijk huis dat kon dienen als ziekenzaal ingeval van cholera, alsook voor bekwaam personeel. In Hulste viel de keus op het huis (nr 14) van de leerweefschool. In geval van cholera kwam er een schadeloosstelling van 600 frank vanwege de Belgische Staat en moest nadien het huis volledig gesloopt worden. Gelukkig kwam er geen cholera in Hulste (in november 1849 deed de cholera zijn intrede in West-Vlaanderen en eiste 1.434 slachtoffers).
Niet lang na de sluiting van ‘den atelier’ werd het gebouw weer verdeeld in drie woonhuizen. Het eerste deel naast de straat (nr 14) werd verhuurd aan burgemeester-brouwer Van Robais, die er een herberg “In Florence” installeerde. Aanvankelijk raakten de andere twee huizen moeilijk verpacht, wat laat veronderstellen dat het weinig comfortabele woningen waren en daarom misschien wat oneerbiedig ‘De Kazerns’ werden genoemd.

[L.D 2009]
de kazerns 2009